(Column: 6 augustus 2026)
Het is warm vandaag. Geen weer om hard te werken of diep te moeten nadenken. Bezigheden genoeg, maar de enige verplichting die ik voor vandaag heb is de post en planten bij de buren verzorgen. En de kliko buiten zetten. Ze zijn met vakantie en een goede buur is immers beter dan een verre vriend. ……. Ik mijmer nog wat door over goede buren en verre vrienden. En ik realiseer me dat een mens meestal maar weinig echt goede vrienden heeft.
In tegenstelling tot familieleden kiezen vrienden elkaar uit. Familie blijft levenslang familie. Vriendschap kan opgezegd worden. Misschien juist daarom zijn langdurende vriendschappen niet vanzelfsprekend. Vriendschappen moet je onderhouden wordt wel eens gezegd, je moet er in investeren. Het moet van twee kanten komen. Toch gebeurt het ook wel dat je een vriend jaren niet ziet, maar als je hem 20 jaar later tegenkomt begroet je elkaar alsof de vorige ontmoeting gisteren was. En je praat verder praat alsof die 20 jaar niet hebben bestaan. Dat is die verre vriend waar je minder aan hebt dan aan die goede buur, maar waarbij wel sprake is van een vriendschap tussen mensen die elkaar door en door kennen en alles van elkaar verdragen. En als je midden in de nacht bij hem zou aankloppen dan is hij er voor je. Dat zijn die zeldzame, niet vanzelfsprekende vriendschappen.
Juist dat soort vriendschap zet mij dan toch nog aan het nadenken. Want opeens denk ik aan een wel heel bijzondere vriendschap. Die wordt beschreven in het Johannesevangelie waar Jezus zegt: “Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen”. Dat is – in a nutshell – de boodschap van het evangelie. Het is een vriendschap die niet vrijblijvend is maar inzet en toewijding vraagt. Maar ook: een vriendschap die soms niet van twee kanten komt maar van slechts één. Vriendschap die desondanks nooit verbroken wordt, omdat die Ene trouw blijft aan zijn belofte, wat er ook gebeurt.
Misschien kun je wel spreken van een verre vriend. Maar dan wel één die heel dichtbij kan komen, dichterbij nog dan een goede buur.
Maria Bolijn
(Column: 8 juli 2026)
“Hé opa, opzij!” In het verkeer wordt nogal eens denigrerend tegen ouderen gedaan. Maar ook de vader die langs het sportveld staat te schreeuwen tegen een voetballertje dat een misser maakt toont weinig respect. Of iemand die de deur dichtsmijt als een collectant om een bijdrage komt vragen.
Terwijl als er íets is wat een mens bijna net zo nodig heeft als voedsel dan is het wel respect. Allereerst zelfrespect, een gezond gevoel van eigen waarde. Maar voor dat zelfrespect ben deels je ook afhankelijk van anderen, niet helemaal gelukkig, maar toch. Wat je waard bent moet je steeds weer aflezen uit de ogen van mensen om je heen, de manier waarop je wordt behandeld.
“Trek je niets aan van wat anderen denken of zeggen”, zei mijn moeder vroeger. Dat ging dan meestal over warme kleren die ik in de winter naar school aan moest terwijl ik mezelf daarin belachelijk voelde. Je er niets van aantrekken? Ja ja.
Een mens is dat wat tegen hem wordt gezegd, luidt een bekende kreet. En juist daarom zou ik zeggen: laten we wat zorgvuldiger zijn in onze omgang met elkaar. Aldous Huxley heeft eens gezegd: de mens is een schepsel, dat voorzichtig over een gespannen koord loopt, in evenwicht, met het bewuste, het geestelijke aan de ene kant en het instinctieve, het onbewuste aan de andere kant. Wat ontzettend moeilijk is. Een koorddanser moet je niet onverwacht een douw geven. Bedenk dat degene die je op het punt staat af te snauwen misschien in een wankel evenwicht verkeert. Dat vraagt om behoedzaamheid.
Niet dat je elkaar zou moeten sparen, want harde woorden zijn soms gewoon nodig. Maar je kunt ze altijd zo uitspreken, dat de ander zich toch respectvol behandeld voelt.
‘Heb elkaar lief en ga elkaar voor in eerbetoon’, aldus Paulus (Romeinen 12:10) ‘C’est le ton qui fait la musique’, zeggen de Fransen, het gaat er vaak niet eens zozeer om wat je zegt, maar vooral om hóe je het zegt, met welke houding je de ander benadert.
Bedenk dat je met een koorddanser te maken hebt. Met alle respect….
Maria Bolijn
(Column: 17 april 2026)
Morgen wordt mijn jongste schoonzus geopereerd aan haar knie. We moeten haar even sterkte wensen, bedenk ik. Ik pak mijn telefoon en open de familieapp.
Niemand heeft nog iets geschreven, zie ik. Zouden de anderen het vergeten zijn? Ben ik mooi de eerste. Ik begin te typen en plotseling overvalt me een aarzeling. Waarom doe ik dit nu? Ik kan mijn medeleven toch ook tonen door haar rechtstreeks te bellen of te appen? Dat is wel zo persoonlijk.
Ik loop nog een beetje te twijfelen en na een tijdje pak ik de telefoon opnieuw. Voor bellen is het inmiddels te laat. Ik stuur een berichtje naar mijn schoonzus, maar nu privé. Om sterkte te wensen en te zeggen dat ik aan haar denk. Ze bedankt me uitgebreid voor de opbeurende woorden. En ik, ik voel me gewoon gelukkig, omdat ik nog net op tijd die ingeving kreeg.
Want – eerlijk gezegd – koos ik vooral voor de groepsapp omdat ik graag wilde dat de anderen het zouden zien: dat ik er als eerste aan gedacht had. Totdat ik me ineens, als in een flits, realiseerde dat het niet om mij ging. Dat het belangrijker was om mijn aandacht op háár te richten, en geen gehoor te geven aan mijn eigen drang om goede sier te maken bij de rest van de familie. Waren er maar meer van die momentjes dat je jezelf even vergeten kan.
“Elk achte de ander uitnemender dan zichzelf”, schrijft de apostel Paulus aan de gemeente in Fillipi (NBG51). Hoe vaak is deze zin niet misbruikt, ook of misschien wel juist door de kerk. Een verkeerde uitleg heeft er vaak toe geleid dat mensen zichzelf mínder achtten dan ieder ander. Met alle nare gevolgen van dien. Maar zo is het niet door Paulus bedoeld. Je moet helemaal niet minder denken over jezelf. Ook niet meer. Gewoon soms even niet. Omdat er belangrijkere dingen zijn.
God dienen door je op de ander te richten. Om vervolgens te constateren hoe fijn het voelt om onafhankelijk te zijn. Onafhankelijk van oordeel of lofprijzing van anderen. Eerlijk gezegd zou ik dat wel vaker willen…..
Maria Bolijn
(Column: 5 maart 2026)
Als ik onze agenda vanaf januari doorblader valt me op dat er bij veel afspraken de letters GND staan: “Gaat Niet Door” betekent dat, een gewoonte die mijn secretaresse vroeger hanteerde en die ik nog steeds in ere houd. Doorhalen deed ze niet, want het was altijd handig als je nog kon zien dat die afspraak ooit gepland stond.
De overvloed aan GND’tjes dit jaar had te maken met de bekende verschijnselen van januari en februari: sneeuw, kou, gladheid en griep. Weersomstandigheden en ziektes zijn nu eenmaal dingen die we niet in de hand hebben en waaruit ook de uitdrukking “ijs en weder dienende” zal zijn ontstaan. Je kunt immers niet in de toekomst kijken.
De oude Romeinen kenden al een uitdrukking voor het feit dat je eigenlijk altijd een voorbehoud moet maken als je iets afspreekt: “Deo Volente”. In feite vaak gebruikt in de zin van “tenzij er iets tussen komt”. Maar vanwege de letterlijke betekenis “zo God het wil” kwamen die letters “D.V.” ook bij ons – vooral vroeger – nogal eens voor, zoals bij het aankondigen van een huwelijk of een andere festiviteit.
Ik denk dat het een goed stukje bewustwording kan zijn, mits niet alleen maar automatisch gebruikt. Zoals bij die basisschool waarvan de directeur standaard in brieven vóór elke datum dat er iets gepland stond de letters D.V. vermeldde. Dan kan het gemakkelijk zijn inhoud verliezen. Misschien heeft het ook wel meer betekenis als je het zou uitspreken. Het woordje “inshallah”, dat in de Arabische wereld wordt gebruikt, betekent letterlijk hetzelfde: als God het wil. En daar wordt het gewoon gezégd, bijvoorbeeld als afscheidsgroet: “Tot morgen, inshallah”.
Zoals het wijsheidsboek Spreuken ons al leert: “Een mens stippelt zijn weg uit, de Heer bepaalt de richting die hij gaat”. Zolang je je er dan maar wel van bewust bent dat die richting natuurlijk niet buiten onze eigen verantwoordelijkheid omgaat…..
Het is inmiddels maart en ik kijk nog eens in de agenda: tot dusver lijken alle gemaakte afspraken door te gaan. Deo Volente.
Maria Bolijn
(Column: 23 januari 2026
Ik loop op de Karel Doormanstraat in Rotterdam. Op weg naar de kapper. Naar de kapper in Rotterdam? hoor ik u denken. Maar, ach ik ken Yvette en haar natuurkapsalon al zo lang en soms combineer ik het met een familiebezoekje.
Tussen het Weena en het Schouwburgplein stap ik plotseling op een steen die er anders uitziet dan de andere trottoirtegels en die me nooit eerder was opgevallen. Een steen met een tekst. Ik houd mijn pas in en lees een kort gedicht, een haiku van Marja Boet:
de stap die u zet
zet ‘m weloverwogen neer
nooit zet u die weer
Nou, dat is wel even iets om over na te denken. Ik loop verder, nog wat mijmerend over het gedicht. “De stap die u zet…” Betekent dat dat je bewuster moet leven? Maar je zou ook kunnen denken aan figuurlijke stappen. Ook de kleinste beslissing in je leven is immers een stap: een appje sturen, een telefoontje plegen, maar ook een opmerking maken of juist zwijgen. Of een negatieve gedachte de laan uitsturen. Het zijn allemaal stappen die je kunt zetten. En een stap gaat altijd een bepaalde kant op.
Zo roept dat kleine gedichtje op om na te denken over de stappen die je zet.
Bewust, zoekend naar de goede richting. We hoeven niet per se heldendaden te verrichten, maar ons wordt wel gevraagd om op te staan en om te beginnen één stap in de goede richting te doen.
Het kerstfeest dat we een maand geleden vierden liet ons iets zien van een wonderlijke geboorte onder erbarmelijke omstandigheden. God, gehuld in alledaagsheid en armoede. Dat is een belangrijke aanwijzing voor de richting die ons verder kan brengen. Misschien moeten we niet zoeken in het bovennatuurlijke, maar juist in de gewone dagelijkse dingen, ook al lijken die misschien grauw en kleurloos.
Ik nader de kapsalon van Yvette, en keer uit mijn gemijmer terug naar de realiteit van de dag. Maar wie weet welke stappen er straks nog gezet gaan worden. En nooit zal ik ze wéér zetten.
Maria Bolijn
(Column: 8 december 2025)
Het ging al weken niet goed.
Geen zaak van leven of dood maar wel heel vervelend: de mengkraan in de keuken haperde. De warme helft draaide prima open en dicht, maar met de koudwaterknop ging het steeds moeizamer. Tot het moment dat de kraan alleen nog met twee handen en veel kracht kon worden dichtgedraaid. Toen was het genoeg. Gelukkig deelde mijn echtgenoot mijn mening dat er iets moest gebeuren. Hij sloopte de boel alvast; er bleek meer nodig te zijn dan alleen een nieuw leertje.
Blij droomde ik van een nieuwe kraan. Tenslotte was deze al tientallen jaren oud. Twee van onze dochters hebben een kraan met cooker- en nog meer functies. En al voelde ik wel dat dát waarschijnlijk een brug te ver was, ik kon in ieder geval uitkijken naar iets nieuws.
Helaas. Mijn man wilde de kraan repareren. Zelf. De details van ons meningsverschil bespaar ik u. Net als de woordenwisseling die ontstond omdat ik uit ervaring wist dat dat wel even kon gaan duren. Ik ken mijn man: eerst dagenlang shoppen om het benodigde onderdeel te vinden, goed passend, maar wel voor de allerlaagste prijs. Dat het uiteindelijk prima zou lukken wist ik ook wel – eveneens uit ervaring – maar intussen was er geen kraan en stond de complete inhoud van het gootsteenkastje midden op de vloer uitgestald….
Toen de oude kraan er nog diezelfde middag weer op zat en naar behoren functioneerde, schaamde ik mij dubbeldiep.
Onlangs heeft de Europese Commissie een nieuwe richtlijn aangenomen die consumenten een “recht op reparatie” geeft. Té veel apparaten kunnen tegenwoordig niet eens gerepareerd worden en worden dus vervangen, met onnodige belasting voor het milieu als gevolg. Of het kan wél gerepareerd worden maar men wil het niet. Even was ik vergeten dat er ook nog zoiets is als verantwoordelijkheid voor de ons gegeven aarde; het is al in het Oude Testament te lezen. En zegt het Nieuwe Testament niet iets over liefdevol met elkaar omgaan in plaats van handelen uit jaloezie of egoïsme?
Een dubbel leerzame ervaring ……
Maria Bolijn
(Column: 24 oktober 2025)
Een begraafplaats bezoeken omdat een dierbaar familielid is gestorven is iets heel verdrietigs. Na jaren was ik weer op Oud Eik en Duinen in Den Haag. Toch voelde het ook goed om daar te zijn. Veel familieleden liggen er begraven en ik moest opeens denken aan mijn allereerste begrafenis, die van oudtante Jansje. Ik was 11 jaar en wou niet mee, met als argument dat ik nog nooit een bij een begrafenis was geweest. Mijn vader had als tegenargument dat het dan hoog tijd werd.
Oudtante Jansje. Ze woonde alleen in een pension, maar ik geloof niet dat ze dat erg vond. Ze was er trouwens nooit, alleen om te eten en te slapen. “Ik heb geen vrijer hoor”, zei ze gekscherend als iemand weer eens bezorgd was omdat ze laat in het donker thuiskwam. Want ze had een druk sociaal leven: een enorme kring van kennissen, waar ze – gevraagd of (meestal) ongevraagd – op bezoek ging. Ik hoor nog de verschrikte uitroep van mijn moeder toen ze uit het raam keek: “Och heden, daar heb je tante Jans!”. We zagen haar het tuinpaadje oplopen, sjouwend met een schemerlamp. Ze bracht vaak iets mee wat ze dan weer van één van haar kennissen had gekregen. In haar ogen ontbrak bij ons blijkbaar een goede verlichting. Evenals een monopolyspel. Het antieke exemplaar wat tante toen voor ons geregeld had staat nu bij mij in de kast.
Tante Jansje wist overal een bestemming voor, maar het was nooit voor haarzelf.
Op oudere leeftijd kreeg ze een milde vorm van kanker. Geen koffie meer, adviseerde de dokter, maar daar kon natuurlijk geen sprake van zijn. Tante Jansje wist wat goed voor haar was. En koffiedrinken hoorde daar zeker bij. Het einde kwam nadat ze bij het oversteken op straat was aangereden door een brommer. Al een eindje in de tachtig was ze toen. Maar nog steeds onderweg.
Over geloof sprak ze nooit. Ik denk dat ze de katholiek-apostolische kerk van de familie bezocht, maar ook dat weet ik niet zeker. Wat ik wel weet is dat ze een sterke drive had om te leven zoals ze deed: niet zeuren, niet ontevreden zijn, maar haar opdracht zoals zij die zag met veel vreugde vervullen. Ze was onderweg om te helpen. Altijd onderweg.
Maria Bolijn
(Column: 11 september 2025)
“Misschien is niets geheel waar en zelfs dat niet”, een beroemde uitspraak van Multatuli, uit zijn boek “Ideeën”.
Een zin die uitnodigt tot nadenken. Want er worden nogal wat waarheden over ons uitgestrooid: dagelijks in de media en ook daarbuiten als gespreksstof van de dag. Het valt me op dat hoe simpeler iets wordt verteld, hoe geloofwaardiger het lijkt. Ingewikkelde dingen zijn soms moeilijk te volgen. Op wetenschappelijk gebied is het zelfs zo ingewikkeld dat je het niet hoeft te weten. Als je in de krant leest: “uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken….” dan volstaat dat. Niemand vraagt verder. Terwijl ook op wetenschappelijk gebied nogal eens fouten worden gemaakt, met name bij het gebruik van statistiek, aldus de kenners.
Naast feitelijke waarheden, wordt ons ook vaak verteld wat goed is wat niet. Hoe we moeten denken, wat ethisch correct is. Tja, vroeger had je daar de dominee of de dorpspastoor voor: een vermanende wijsvinger. Tegenwoordig wordt die taak via de media uitgeoefend door Jan en alleman, van hoog tot laag, door machthebbers en critici. Waarbij het kritisch denken nogal eens wordt overstemd door wie het hardst tekeer gaat.
Het is allemaal niet nieuw: In het bijbelboek Spreuken lezen we al over de dwaasheid die luid door de stad roept en door iedereen wordt gevolgd.
“Niets is geheel waar en zelfs dat niet?” Kan het zijn dat die uitspraak misschien alleen op mensen betrekking heeft? Is wat wij mensen beweren misschien nooit helemaal waar, zelfs niet als het over God gaat? We kunnen God niet vatten, niet begrijpen. Misschien kunnen we ook beter niet over God praten in “grote waarheden”, alsof we het allemaal zo duidelijk weten. Maar zeker is dat we iets kunnen beleven als geloofswaarheid, waarheid die van een heel andere orde is.
Ik denk aan de woorden van Paulus in 1 Kortinthe 13: “ons kennen is beperkt, er resten slechts geloof hoop en liefde”. Woorden van een mens, die wel heel dicht bij die waarheid komen. Misschien het enige dat wel waar is. Had Multatuli dan toch gelijk?
Maria Bolijn
(Column: 1 augustus 2025)
“Jij schrijft nooit over politiek hè?” zei iemand laatst tegen me. Dat klopt, ik ben soms (te) gemakzuchtig. Want wat je zegt of schrijft over politiek is altijd moeilijk. Iedereen wil vrede, maar welke reële optie kan die echt kan garanderen? Demonstreren kán helpen. Je standpunt uitdragen. Een statement maken. Tegelijk weet ik dat mijn standpunt nogal eens is veranderd bij het voortschrijden van het wereldgebeuren.
Net toen ik had besloten dat ook deze column niet over Gaza zou gaan, kwam mijn echtgenoot thuis uit de stad met twee kleine gele post-it briefjes. Hij had ze gekregen van een man die hij op straat was tegengekomen.
De man had niets gezegd, maar hem zwijgend de twee briefjes overhandigd. Met daarop een boodschap in gebrekkig Engels. Op het ene stond: “Gazza is now 1940” en op het andere “Peac in Pelstin”. Het eerste een confrontatie voor de lezer, het tweede de vurige wens van de schrijver. Hij zei niets en vervolgde zijn missie, want hij had een heel stapeltje bij zich.
Het raakte me. Dit was geen grote demonstratie, maar een kleine. Een stil maar krachtig betoog, niet gericht tot een grote groep maar van mens tot mens. Zodat je toch weer gaat nadenken, praten. Pacifisme zal de wereld niet redden, wapens evenmin, al zullen die onvermijdelijk blijven. De vruchten van diplomatie lijken van korte duur.
Ik denk aan de woorden van Henriëtte Roland Holst :“De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind”. Opgetekend kort na de eerste wereldoorlog en nog regelmatig geciteerd. Zou liefde de wereld wél kunnen redden? De wereld heeft het in ieder geval hard nodig, juist vanwege de verschrikkingen die mensen elkaar aandoen. Die ene Liefde die die niet draait om eigenbelang en zelfbehoud, maar zoals we die kennen uit het bijbels evangelie. Ik ben de twee kleine gele briefjes niet vergeten.
Maar dan besluit ik – uit arren moede – om maar gewoon hier een begin te maken.
Straks komt onze vroegere buurman eten. Hij is onlangs weduwnaar geworden en nu de kinderen met vakantie zijn is het soms eenzaam. Hij rekent op een gezellige ontvangst. Zou ik daar een beetje liefde in kunnen leggen?
Het proberen waard denk ik.
Maria Bolijn
(Column: 5 juni 2025)
Op het moment dat ik deze column schrijf is het chaos. Chaos in de wereld, dat was het al lang. En nu ook nog eens chaos in ons eigen land na de val van het kabinet. Verbijstering.
Wat is er juist nu veel wijsheid nodig en wat is er behoefte aan vrede! Wijsheid en vrede, ze hebben iets met het naderende Pinksterfeest te maken. Wijsheid wordt een gave van de Geest genoemd. Vrede een vrucht van de Geest.
Wijsheid. Als ik daar wat over door mijmer dan moet ik altijd denken aan de wijsheid van Salomo. Vooral aan het bekende bijbelverhaal over twee vrouwen die in hetzelfde huis wonen, en ongeveer gelijktijdig een kind krijgen. Eén baby sterft. Beide vrouwen eisen het levende kind op als het hare. Onmogelijk aan te tonen wie de waarheid spreekt. Salomo geeft daarom bevel het levende kind in tweeën te hakken en de helften eerlijk te verdelen. De ene vrouw is bereid dat te aanvaarden, alles liever dan dat de ander het levende kind zou krijgen. Maar die ander smeekt Salomo om het levende kind dan maar liever aan die ene vrouw te geven. Dan is voor Salomo duidelijk wie de echte moeder is. Zij krijgt het levende kind. Want Salomo zette zo een proces in werking waarbij het niet meer gaat om gelijk hebben maar om erbarmen en liefde. Waarbij prijsgeven van het eigen recht omwille van het welzijn van het kind tot waarlijk recht leidt. Het is die wijsheid die in heel de bijbel terugkomt.
Vrede. Later op de dag, als ik naar huis rijd, zie ik voor mijn auto uit twee duiven lopen. De maximumsnelheid hier op het vakantiepark is 15 km, maar de duiven hebben een lager tempo. Ze gaan niet opzij maar lopen naast elkaar rustig en onbekommerd door. Zij bepalen het tempo, ik volg. Pas na een meter of vijf besluiten ze vliegend verder te gaan. Het waren gewone duiven, geen witte, maar toch hadden ze iets van de vredesduif, dat andere symbool van Pinksteren.
Wijsheid en vrede, beide symbolen van Pinksteren die we in deze tijd hard nodig hebben. Of, zoals Huub Oosterhuis dichtte: “Dat in ons wordt herschapen de geest die overleeft, dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft.”
Maria Bolijn